Disclaimer
Het fiscale nieuws wordt u aangeboden door AMD automotive fiscalisten. Hoewel aan het samenstellen van de inhoud de uiterste zorg is besteed, aanvaarden zowel AMD automotive fiscalisten als Arval geen enkele aansprakelijkheid voor het gebruik van de op deze pagina opgenomen informatie.
-
29-07-2010
Minister publiceert fiscale vergelijking brandstofsoorten
In een brief aan de Tweede Kamer gaat Minister van Financiën De Jager in op de fiscale behandeling van de diverse brandstofsoorten.
Allereerst wordt er accijns geheven op de brandstof zelf. Voor aardgas (CNG) en elektriciteit is er sprake van energiebelasting. De tarieven per liter, kg of kWh verschillen behoorlijk. Ook omgerekend naar energie-eenheid (MejaJoule), zijn er grote verschillen. Als de heffing op een energie-eenheid benzine op 100% wordt gesteld, bedraagt de heffing op diesel 53% daarvan, die op LPG 15% en op aardgas slechts 4%. Elektriciteit is met 56% redelijk goed vergelijkbaar met diesel.
Naast de heffing van accijns of energiebelasting zijn er afhankelijk van het soort brandstof ook effecten in de motorrijtuigenbelasting (diesel-/LPG-toeslag) en de BPM. In de BPM gaat het bij personenauto’s dan om de benzine- of aardgaskorting en het verschil in tarief dat geheven wordt op basis van de CO2-uitstoot: Voor benzine gelden andere tarieven dan voor diesel en aardgas.
De totale belastingdruk is voor diverse kilometrages berekend voor een middenklasse-auto, op basis van het prijspeil van 2010, rekening houdend met een totale levensduur van de auto van 13 jaar. Het omslagpunt bij een vergelijking tussen een benzine- en dieselauto ligt dan iets onder de 25.000 km per jaar.
Voor een LPG-G3 auto wordt bij minder dan 5.000 km per jaar meer belasting betaald dan voor een benzineauto, maar daarboven minder. Het verschil loopt op tot gemiddeld € 1.500 bij 25.000 km per jaar. De totale belastingdruk bij gebruik van aardgas ligt over de hele lijn iets lager dan bij LPG-G3. Elektrische auto’s beginnen bij een belastingdruk van nihil (door de vrijstelling van MRB en BPM), waarna door de energiebelasting op de gebruikte elektriciteit de belastingdruk oploopt bij een toenemend aantal kilometers. Per saldo blijft de totale belastingdruk op een elektrische auto echter bij alle kilometrages lager dan de belastingdruk bij alle andere brandstofsoorten.
-
23-07-2010
Rechter laat BPM-heffing op flexifuel auto in stand
Personenauto’s die zowel op benzine als op E85 kunnen rijden, worden voor de BPM-heffing behandeld als benzineauto’s. Een koper van zo’n auto bestreed in hoger beroep het niet van toepassing zijn van een kortingsregeling.
De rechters van Gerechtshof Arnhem bogen zich in hoger beroep over de vraag of de Europese richtlijn ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer niet vereist om in de BPM een kortingsregeling voor het gebruik van E85 in te voeren. Volgens het Gerechtshof is dat echter niet vereist. De wetgever heeft een ruime beoordelingsbevoegdheid om de stimulering van biobrandstoffen zelf vorm te geven. De Nederlandse wetgever mocht er dus voor kiezen om dat op een andere wijze dan via de BPM te doen.
Stimulering van biobrandstoffen vindt in Nederland vooral plaats via de accijns. Vanaf 1 april 2010 is voor E85 een nieuwe regeling in werking getreden. De regeling voorziet in een gedeeltelijke teruggaaf van accijns voor duurzaam geproduceerde E85, een mengsel bestaande uit bio-ethanol (ethanol uit biomassa) en benzine. Met die teruggaaf wordt recht gedaan aan het verschil in energiewaarde met benzine. Voor E85 was het accijnstarief van ongelode benzine verschuldigd, terwijl de energiewaarde van E85 ten opzichte van benzine gemiddeld 27% lager is. Daarom wordt vanaf 1 april onder bepaalde voorwaarden een teruggaaf van accijns verleend ter grootte van 27% van het accijnstarief van benzine. De teruggaaf wordt verleend aan de leveranciers, zodat de prijs aan de pomp de prijs inclusief de teruggaaf is.
-
16-07-2010
Geen BPM-naheffing voor kort binnenlands weggebruik
Naheffing van BPM over een autorit die volledig binnen Nederland plaatsvond, is strijdig met het Europese vrije reis- en verblijfsrecht. Tot die conclusie komt de Rechtbank Arnhem in een recente zaak.
Het gaat daarbij om een situatie waarin een inwoner van Nederland gedurende één dag een door een Duitse vriendin gehuurde auto met Duits kenteken gebruikt in Nederland. De berijder kreeg daarvoor een naheffing BPM, omdat hij eerder al eens was gewaarschuwd voor het rijden met een buitenlands kenteken. Deze naheffing ging overigens nog over een iets oudere kwestie, daterend van vóór de wetswijziging per begin 2007. Door die wetswijziging is het voor buitenlands gekentekende auto’s (evenals bij export van binnenlandse auto’s) mogelijk om een teruggaaf te krijgen als het binnenlandse weggebruik wordt beëindigd, mits het weggebruik is aangevangen op of na 16 oktober 2006. Omdat die teruggaaf in het jaar waar het geschil over ging nog niet bestond, was er sprake van een onevenredige heffing, zodat de naheffingsaanslag volledig wordt vernietigd.
Dat de Rechtbank tot dit oordeel komt, is wel enigszins bijzonder, omdat er op dit moment ook nog een aantal soortgelijke zaken bij de Hoge Raad ligt. In die zaken kwamen lagere rechters tot verschillende oordelen over de reikwijdte van dit Europese vrije reis- en verblijfsrecht. Een aantal rechters is van mening dat daarop geen beroep kan worden gedaan als het om een volledig binnenlandse rit gaat. Het wachten is daarom op het definitieve oordeel van de Hoge Raad, de hoogste belastingrechter in Nederland.
-
05-07-2010
Zakelijk gebruik voor een andere baan leidt tot bijtelling
Als een werknemer een auto van de zaak die aan hem ter beschikking is gesteld voor niet meer dan 500 km privé gebruikt, is de forfaitaire bijtelling niet van toepassing. Bij die privékilometers tellen echter ook kilometers voor een andere baan mee. Dat kan leiden tot onvermoede toepassing van de bijtelling.
Dat overkwam een dezer dagen een berijder van een Porsche Cayenne Turbo met een catalogusprijs van ruim 165.000 euro. Ondanks dat hij zijn echte privéritten met zijn privé Porsche 911 Cabriolet reed en voor zijn zakelijke ritten een kilometeradministratie bijhield, kreeg hij toch een bijtelling voor de Cayenne.
De oorzaak daarvan is dat de Cayenne door zijn ene werkgever ter beschikking was gesteld, terwijl hij deze ook (zakelijk) gebruikte voor een andere baan. De ene werkgever belaste voor dat zakelijke gebruik een bedrag door aan de andere werkgever, maar dat was onvoldoende om de bijtelling te voorkomen. Bezien vanuit de baan waarbij de auto ter beschikking is gesteld, moeten de zakelijke kilometers voor de andere baan volgens de rechters van Gerechtshof Den Haag worden aangemerkt als privékilometers, zodat de 500-kilometergrens ruimschoots overschreden is.
Een oplossing voor dit soort situaties kan gevonden worden in het gezamenlijk ter beschikking stellen van de auto door beide werkgevers. Ook zal de bijtelling, als de 500-kilometergrens niet door privégebruik overschreden wordt, voorkomen kunnen worden als de ene baan wordt uitgeoefend binnen het kader van de andere baan.
-
28-06-2010
Fiscale maatregelen voor groen gas
Door het verschijnen van voertuigen die volledig op biogas rijden, wordt de vraag actueel hoe deze brandstof fiscaal gestimuleerd wordt. Minister De Jager (Financiën) heeft inmiddels Kamervragen over het rijden op biogas/groen gas beantwoord.
Biogas wordt op relatief beperkte schaal geproduceerd door vergisting van bijvoorbeeld mest, rioolslib en reststoffen, soms samen met vergisting met andere organische materialen zoals maïs, gerst en aardappelen. Wanneer biogas wordt bewerkt zodat het dezelfde kwaliteit krijgt als aardgas in het aardgasnet wordt gesproken van groen gas. Biogas/groen gas is een van de meest duurzame biobrandstoffen maar is relatief duur om te produceren.
Biogas/groengas wordt fiscaal hetzelfde behandeld als aardgas. Voor aardgas in de vorm van CNG (Compressed Natural Gas) als motorbrandstof geldt een laag tarief in de energiebelasting (EB) van 3 cent per m3. Verder geldt een gunstiger behandeling dan voor dieselpersonenauto’s in de BPM en de MRB. Er geldt bijvoorbeeld in de MRB geen toeslag ter compensatie van lagere belasting op de brandstof zoals die wel geldt voor LPG- en dieselauto’s.
De minister geeft verder aan dat stimulering van de toepassing van biobrandstoffen in het wegverkeer in Nederland primair gebeurt via een verplichtstelling. Voor leveranciers van benzine en diesel aan het wegverkeer geldt een verplichting om een deel hiervan te leveren als biobrandstof. Deze verplichtstelling is techniekneutraal aangezien de keuze voor het type biobrandstof wordt overgelaten aan de markt. Het verplichtingdeel bedraagt in 2010 4% (oplopend tot 10% in 2020). In de praktijk wordt nu aan de verplichting voldaan door een bepaald percentage biobrandstoffen toe te voegen aan de reguliere brandstoffen, bijvoorbeeld ethanol aan benzine en biodiesel aan diesel. Geleidelijk komen ook (meer) pure biobrandstoffen als E- 85 en andere vormen van hernieuwbare energie, zoals hernieuwbare elektriciteit, meer in beeld.
Als groen gas in het verkeer wordt ingezet, hoeven er bij een gelijkblijvend verplichtingpercentage minder andere biobrandstoffen zoals bio-ethanol en biodiesel te worden toepast.
Voor de vergelijking van de fiscale behandeling van biogas/groen gas met die van andere duurzame alternatieven zoals het rijden op andere biobrandstoffen, elektriciteit en waterstof zal de minister voor de zomer een brief aan de Tweede Kamer sturen met daarin een integraal overzicht van de behandeling van de verschillende brandstoffen in het verkeer. In deze brief zal ook aandacht worden besteed aan het aspect techniekneutraliteit. Wij houden u op de hoogte.
-
24-06-2010
Sluitende rittenregistratie blijft belangrijk
Als de werkgever ook voor privégebruik een auto ter beschikking stelt, geldt voor die auto de forfaitaire bijtelling, tenzij blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt. Dat woord “blijkt” betekent volgens de rechtspraak “overtuigend aantonen”. Een nieuwe uitspraak bevestigt dit.
Het ging in die zaak om iemand die een rittenregistratie had bijgehouden. Bij controle bleken daar echter grote onjuistheden en tegenstrijdigheden in te zitten. Zo waren er verschillen tot honderden kilometers geconstateerd in de totale afgelegde afstand bij ritten naar dezelfde (buitenlandse) bestemming en ook werd de reden van omrijkilometers of een “via-route” niet vermeld.
De rechters van Gerechtshof Den Bosch oordeelden dat het bewijs dat met de auto op jaarbasis niet meer privé is gereden dan 500 kilometer vormvrij is, als het maar overtuigend bewijs vormt. Hoewel dit tegenbewijs dus niet per se gebonden is aan een sluitende rittenregistratie, is dat doorgaans wel de beste manier. Bij het niet bijhouden van een rittenadministratie kan men er tegenaan lopen dat het overige bewijs onvoldoende blijkt te zijn. Dat deed zich bijvoorbeeld in de rechtspraak voor bij iemand die alleen kopieën van zakelijke agenda’s en van garagenota’s kon laten zien. Het andere bewijs kan bijvoorbeeld ook worden geleverd met een schriftelijke overeenkomst met een gecontroleerd verbod op privégebruik.
In deze zaak gaat het om iemand die weliswaar een rittenadministratie heeft bijgehouden, maar de gesignaleerde onduidelijkheden en tegenstrijdigheden niet afdoende kan verklaren. Wel had hij verklaringen laten opstellen door zijn echtgenote en dochter en daarnaast ook door twee zakenrelaties. Die verklaringen waren volgens het Gerechtshof echter “te vaag”. Ook het beroep op controle van de rittenadministratie door de belastingdienst over een ander jaar hielp hem niet, nu zo’n controle niets zegt over het jaar waar deze naheffing over ging.
Welke controle over dat andere jaar precies is uitgevoerd, blijkt niet uit de uitspraak. Wel valt op dat de inspecteur stelt dat toen alleen de wijze van administreren is bekeken en dat de betrouwbaarheid van de in de administratie opgenomen gegevens niet is gecontroleerd. Normaliter zullen echter beide aspecten aan de orde komen. Mocht dat in een specifieke situatie niet het geval zijn, dan zal de belastingdienst dat duidelijk moeten afbakenen, om later alsnog de mogelijkheid open te houden om voor dat specifieke jaar ook naar de betrouwbaarheid van de gegevens te kijken. Als het in zijn algemeenheid gaat om controle van de rittenregistratie, dan moet u er als berijder immers op kunnen vertrouwen dat de controle over dat jaar daarmee geheel is afgerond.
-
16-06-2010
Nieuwe kaderbesluiten BPM en MRB van kracht
Per vandaag, 16 juni 2010, zijn nieuwe kaderbesluiten voor de BPM en de motorrijtuigenbelasting (MRB) van kracht. Het kaderbesluit BPM vervangt de Leidraad BPM uit 2006. Het kaderbesluit MRB vervangt een eerder besluit uit 2007.
Het kaderbesluit BPM bevat een overzicht van de beleidsstandpunten van het Ministerie van Financiën met betrekking tot specifieke punten. Gewijzigd zijn onder meer het standpunten over de inrichtingseisen voor bestelauto’s, met name ten aanzien van de tussenwand en voor pick-ups. Daarnaast is de ondernemersvrijstelling voor bestelauto’s van directeuren-grootaandeelhouders aangepast aan de jurisprudentie over het btw-ondernemerschap. Voor onbedoelde tenaamstelling die zou leiden tot het niet kunnen gebruiken van de ondernemersvrijstelling wordt een mogelijkheid geboden. Voertuigen van reddingsbrigades krijgen een vrijstelling en het herstelbeleid wordt verruimd, zodat het niet altijd meteen een naheffingsaanslag BPM volgt.
Ook het kaderbesluit MRB is geactualiseerd en aangevuld met nieuwe beleidsstandpunten.
Nieuw zijn onder meer de goedkeuringen met betrekking tot de meetmethoden voor de laadruimte van pick-up’s, de eisen voor afzetbare containers voor pick-ups en het begrip kampeerauto. Ook voor toepassing van het bijzondere tarief voor multifunctioneel ingerichte vrachtauto’s en voor specifieke auto’s van het Rode Kruis biedt het kaderbesluit een regeling. Daarnaast worden de eisen voor het gebruik van motorrijtuigen in het kader van een uitvaartbedrijf en het gebruik van politieauto’s versoepeld. Tot slot wordt terugwerkende kracht bij een verzoek om een bijzonder tarief of vrijstelling geregeld en wordt het herstelbeleid voor buitenlandse kentekens verruimd.
-
15-06-2010
Bij gezamenlijk gebruik ook gedeelde bijtelling
Als een auto van de zaak gelijktijdig aan meerdere werknemers ter beschikking is gesteld, moet de bijtelling in redelijkheid over beide gebruikers worden verdeeld. Gerechtshof Arnhem heeft onlangs uitspraak gedaan in een zaak die dit duidelijk illustreert.
In deze zaak was allereerst in discussie over er sowieso wel auto’s ter beschikking waren gesteld. Zowel de directeur van de onderneming als de betreffende werkneemster ontkenden dat. De werkneemster maakte, naar eigen zeggen alleen voor zakelijke ritten, gebruik van achtereenvolgende auto’s die ook door de directeur werden gebruikt. Na afloop van de rit werd de auto doorgaans op de zaak geparkeerd of, bij gezamenlijke ritten, bij het vlak bij haar eigen woonhuis gelegen huis van de directeur. De auto’s werden echter ook gebruikt voor zakelijke ritten die bij haar eigen huis begonnen en weer eindigden. Er was geen sprake van een kilometeradministratie. Wel heeft de werkneemster een aantal verklaringen van derden over het gebruik van de auto’s aan de rechters overlegd.
De rechters van het Gerechtshof Arnhem zijn echter van oordeel dat er wel degelijk sprake is van auto’s die ook voor privédoeleinden ter beschikking zijn gesteld, zodat bijtelling op zijn plaats is tenzij bewezen kan worden dat het privégebruik niet meer is dan 500 kilometer op jaarbasis. Daarbij is van belang dat de auto’s ook voor woon-werkverkeer werden gebruikt en voor zakelijke ritten die thuis begonnen of eindigden. Verklaringen “van horen zeggen”, die niet met agenda’s e.d. gestaafd kunnen worden, kunnen niet dienen om te bewijzen dat er geen sprake is van privégebruik voor niet meer dan 500 kilometer.
Het Gerechtshof oordeelde verder op basis van de feiten dat de auto’s zowel aan deze werkneemster als aan de directeur ter beschikking waren gesteld. De bijtelling moet dan in redelijkheid over beiden worden verdeeld. Hoe die verdeling plaats moet vinden, is volgens de rechters afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval. Omdat concrete ritgegevens ontbraken, en het door de rechters niet onaannemelijk werd geacht dat de auto’s op een groot gedeelte van de doordeweekse dagen en een klein deel van het weekend aan de werkneemster ter beschikking stonden, werd de bijtelling “in goede justitie” voor de helft aan de werkneemster en voor de helft aan de directeur toegerekend.
-
09-06-2010
Wetsvoorstel milieu-investeringsaftrek naar Tweede Kamer
Minister De Jager van Financiën heeft op 7 juni 2010 de Fiscale Verzamelwet 2010 bij de Tweede Kamer ingediend. Daarin wordt naast een aantal andere fiscale wijzigingen geregeld dat met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 de milieu-investeringsaftrek op elektrische auto’s van toepassing is.
Deze wettelijke aanpassing is nodig omdat de wet thans de milieu-investeringsaftrek uitsluit voor personenauto’s die niet zijn bestemd voor het beroepsvervoer over de weg. Die uitsluiting vervalt in het wetsvoorstel Fiscale Verzamelwet 2010.
De milieu-investeringsaftrek geldt voor volledig elektrische auto’s en voor plugin hybridepersonenauto’s met een actieradius van minimaal 50 kilometer op een volle accu. De exacte technische omschrijvingen staan onder code F5070 op de zogenaamde Milieulijst van Agentschap NL.
De milieu-investeringsaftrek op deze auto’s bedraagt 40%. Voor het jaar 2010 kan in verband met crisismaatregelen in veel gevallen aanspraak worden gemaakt op een verhoging met nog eens 20%.
Daarnaast is de regeling voor kleinschaligheidsinvesteringsaftrek en willekeurige afschrijving van toepassing. De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek van maximaal 28% geldt vanaf 2010 ook voor personenauto’s die gezien hun CO2-uitstoot in aanmerking kunnen komen voor de 14%-bijtelling voor privégebruik.


